Maandelijks archief: oktober 2005

Gemist!

Gisteren schijn ik het eerste deel van een interessante tweedelige Teleac docu over het leven van Einstein te hebben gemist. Nu maar hopen dat de aflevering op uitzendiggemist.nl verschijnt. Je kunt daar i.i.g. selecteren op de omroep Teleac/NOT.

Ik programmeer alvast de video voor deel 2; Zondag 6 november 17.25 – 18.15.

Advertenties

Van leertheorie naar onderwijspraktijk.

Op de PHYSHARE mailinglist (over Physics Education) is een zeer interessante discussie aan de gang over leertheorie in relatie tot onderwijspraktijk (Piaget & Dewey: Down for the Count?).

De discussie wordt over verschillende maillinglist gevoerd (PHYSHARE, PHYS-L, AERA-L… hadden ze maar weblogs en trackbacks!) en is daarom soms wat moeilijk te volgen, zeker omdat niet alle lijsten openbaar zijn zonder inlognaam, maar daarom niet minder interessant. Ik zal proberen binnenkort een samenvatting te posten.

In deze discussie citeerde Richard Hake onlangs Gardner:

“even students who have been well trained and who exhibit all the overt signs of success – faithful attendance at good schools, high grades and high test scores, accolades from their teachers – typically do not display an adequate understanding of the materials and concepts with which they have been working. Perhaps most stunning is the case of Physics. [. . .] The evidence in that venerable subject is perhaps the ‘smoking gun'”
Gardner, H. 1991. “The Unschooled Mind: How children think and how schools should teach.” Basic Books.

De notie dat zelfs excellent geacht natuurkundeonderwijs inefficient is in het aanleren van natuurkunde heeft sinds de tweede helft van de jaren negentig geleid tot een revolutie in het natuurkundeonderwijs in de V.S., gedreven door onderwijskundigonderzoek (Physics Education Research).

Dit is helemaal mijn ding. Onderwijsvernieuwing gedreven door onderzoek.

Misschien is dat ook wel mijn probleem met moderne onderwijsvernieuwingen (in Nederland) zoals het sociaal-constructivisme (Het Nieuwe Leren) en competentie gericht leren. Ik mis het achterliggende onderzoek. De feiten.

(De titel van dit bericht is geleend van het excellente boek van Van der veen en van der Wal, Wolters-Noordhoff, 2003).

Nina (4) : ELO’s

De commissie Nieuwe Natuurkunde vindt:

De flexibiliteit van het curriculum kan sterk worden gestimuleerd door gebruik temaken van elektronische leeromgevingen (ELO’s).

[…]

In het universitair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs zijn ELO’s inmiddels gemeengoed geworden. Bij tal van cursussen worden ELO’s gebruikt voor het in digitale vorm aan- en inleveren van opdrachten, dictaten, diagnostische toetsen, powerpoint presentaties, inhoudelijke discussies tussen docenten en studenten, en verwijzingen naar literatuur en andere websites.

Ik zie de link met het flexibile curriculum nog niet helemaal.

Mijn probleem met ELO’s: Ze worden gebruikt als postbus voor tweerichtingsverkeer. De docent zet er een opdracht op en de leerling levert het in. De investerings- en beheerskosten van een ELO kun je wel beter besteden als een ELO alleen op die manier wordt gebruikt. Mijn eigen ervaring (via de lerarenopleiding) is dat een ELO ook dusdanig wordt gebruikt in het Hoger Onderwijs; Een vergaarbak van verouderde syllabi en een plek om opdrachten in te leveren. Een dergelijk gebruik van een ELO kan heel nuttig zijn voor afstandsleren, maar dat is in het v.o. volgens mij niet van toepassing.
Ik vraag me af op welke manier de ELO op dit moment wordt gebruikt op v.o. scholen. (Een voorbeeld is Studiewijzer Plus van het Stedelijk Lyceum Enschede.)

Ik denk dat een ELO pas waarde heeft als het samenwerkend leren ondersteunt, door de “inhoudelijke discussies tussen docenten en studenten” waar de commissie het over heeft te faciliteren. Een electronisch prikbord en postbus zijn ook zonder een ELO effectief toe te passen.

Tenslotte:

De Commissie verwacht dat ELO’s in de toekomst ook in het voortgezet onderwijs een belangrijke rol zullen gaan spelen en wil daar in het te ontwikkelen voorbeeldcurriculum op anticiperen.

Ik hoop dat de commissie zich zal richten op het gebruik van ELO’s om samenwerkend leren te ondersteunen, en niet op de ELO als postbus tussen docent en leerling.

Nina (3): Technisch ontwerpen

Naast onderzoeken wordt nu ook ontwerpen een pijler van het vak natuurkunde.

Een van de doelstelling van de NiNa is:

De programma’s
[…]
5. ondersteunen technisch ontwerpen als leeractiviteit;

Een deel van de toelichting:

Natuurwetenschap en techniek hebben een verschillende oriëntatie. De opbrengst van natuurwetenschappelijk onderzoek is kennis, de opbrengst van technische ontwerpactiviteiten bestaat uit producten. Voor leerlingen weerspiegelen deze verschillen in gerichtheid ook verschillen in motivatie. Ontwerpproblemen kennen geen unieke oplossingen. Om alternatieve uitwerkingen op hun effectiviteit te kunnen beoordelen, is kennis van materialen en constructies nodig. Zo kan een ontwerpvraag een motiverende context bieden die bijdraagt aan het leren van natuurkundige begrippen en modellen.

Traditioneel wordt binnen de natuurwetenschappelijke vakken veel aandacht besteed aan de manier waarop natuurwetenschappers door onderzoek kennis verwerven. Technisch ontwerpen als bezigheid van ingenieurs is tot nu toe weinig van de grond gekomen. Toch waarderen veel leerlingen technische-ontwerpactiviteiten, omdat zij daarin zelfstandig, actief en creatief kunnen leren. In het bijzonder het profiel NT, zowel bij havo als vwo, zou meer aantrekkingskracht kunnen krijgen door een duidelijke plaats van technisch ontwerpen in het programma naast onderzoeken.

Ik draag Technisch Ontwerpen (TO) een warm hart toe. Niet alleen omdat ik -naast leraar- ingenieur ben, maar omdat TO leerlingen motiveert en divergent denken aanleert. Ik denk (net als de commissie) dat TO voor een deel een ander soort leerling aanspreekt dan onderzoeken, waardoor het profiel NT meer aantrekkingskracht zou kunnen krijgen. De grotere instroom van technische studies zal ongetwijfeld een wenselijk gevolg zijn.

Ik hoop dat TO ook in de andere exacte vakken een poot aan de grond krijgt. Als biologie en scheikunde onderzoeksgericht blijven en alleen de natuurkunde ontwerpen als een volwaardige onderdeel van het vak invoert, dan blijft ontwerpen -vanuit de leerling gezien- toch nog iets voor erbij; “Iets dat we zo nu en dan bij natuurkunde doen.” Een breed draagvlak voor TO binnen alle natuurwetenschappelijke vakken is nodig om het meer te laten worden dan iets voor erbij.

De noodzaak voor afstemming tussen de vakken geldt misschien wel voor elke vernieuwing die de commissie voorstelt; Samenwerking tussen de commissies van de verschillende vakken is m.i. een vereiste om tot zinvolle leerplannen te komen. Een dergelijke samenwerking schijnt inmiddels een feit te zijn. Ik hoop dat we daar snel meer van horen!

NiNa (2)

Ik heb het verslag van de commissie Nieuwe Natuurkunde (NiNa) alleen nog maar doorgebladerd… Ik las zojuist een eerste reactie:

Florine Meijer (Qulog) schrijft:

De commissie heeft zich door scheikunde en biologie laten inspireren in een context-concept-benadering. Die contexten en concepten moeten de structuur voor het curriculum geven, de “ruimte [..] waarbinnen lesmateriaal [..] kan worden ontwikkeld”. (p25) Als die ruimte er eenmaal is, heeft de commissie kennelijk haar taak volbracht, want “binnen deze ruimte hebben docenten of auteurs van lesmateriaal de vrijheid een didactische benadering te kiezen.”

Staat de keuze van een didactische benadering dan los van de structuur van het curriculum? Kun je binnen die ruimte gegeven door de concepten en contexten werkelijk nog alle kanten op met je didactiek?

Mmmmmh.

Aan de ene kant ben ik ontzettend blij met het voornemen van de commissie om (net als het voorbeeld; de Nieuwe Scheikunde) af te stappen van een curriculum alleen gebaseerd op negentiende eeuwse natuurkunde (Wet van Ohm, e.d.) en ruimte te maken voor moderne ontwikkelingen in de natuurkunde.

Aan de andere kant is de context-concept-benadering mij nog niet helemaal helder. Volgens mij worden didactiek en curriculum door elkaar gebruikt. Anders gezegd: Leerinhoud en leeractiviteiten worden doorelkaar gehaald. Ik vraag me af: Wat zijn de kennis- en vaardigheidleerdoelen? Welke didactiek wordt voorgesteld om de leerling de doelen te laten behalen?

Ik ga het rapport nog maar eens goed van-voren-naar-achter lezen (daar ben ik nog niet aan toe gekomen). Hopelijk wordt me dan duidelijk wat context-concept-benadering nu eigenlijk precies is.

(wordt vervolgd)

Smaakmaker

In de nieuwe NVOX (8, oktober 2005) stond weer een “smaakmaker” van Louis Mahot en Hubert Biezeveld, auteurs van de methode Scoop Stevin.

Deze smaakmaker is een raadsel:

2 schakelaars staan in serie met twee gloeilampen. Beide lampen branden niet. De schakeling lijkt aangesloten op 230 V wisselspanning.
Als de linker schakelaar ingedrukt wordt gaat alleen de linker aan. De rechter blijft uit.
Als dan de rechter schakelaar wordt ingedrukt gaat ook de rechter gloeilamp aan. Als nogmaals op de knop wordt gedrukt gaat de lamp weer uit, terwijl de ander blijft branden.
Als beide lampen aan staan kun je er een uitdoen door die los te draaien.

Volgens mij is dit de oplossing. (Pas op: Ascii-Art bij gebrek aan scanner in de buurt).

UPDATE 28/10: oplossing gewijzigd na een twee hints van Hubert Biezeveld. Dit is de nieuwe oplossing.

NiNa

Nieuwe Natuurkunde (NiNa)

De Commissie Vernieuwing Natuurkundeonderwijs havo/vwo ontwerpt een nieuw ingericht vak natuurkunde vanaf 2010.

De commissie heeft een visiedocument (ter discussie) online gezet op haar website. Dit stuk, Natuurkunde leeft, zal worden besproken met natuurkundedocenten uit het veld op een 5 tal bijeenkomsten in novermber.

Ik ga in ieder geval naar zo’n bijeenkomst. Ik heb met veel bewondering –jalouzie bijna– de vernieuwingen van de commissie “Nieuwe Scheikunde” gevolgd. Ik hoop dat de “Nieuwe Natuurkunde” minstens even boeiend zal zijn. Ik ga proberen mijn steentje bij te dragen…

Detail: De commissie stelt (onbedoeld?) nog veel meer documenten ter beschikking.