Nieuw leren waarderen

Nieuw leren waarderen” is een onderzoekspublicatie van schoolmanagers_VO waarin de vraag: “Welke bevindingen uit (wetenschappelijk) onderzoek ondersteunen de keuze van schoolleiders en docenten voor verschijningsvormen van het nieuwe leren” wordt beantwoordt door middel van een literatuurstudie.

Het antwoord op deze onderzoeksvraag is dat deze vraag niet in algemene zin beantwoord kan worden. Dit bevestigt m.i. het argument van velen (waaronder hoogleraar Greetje van der Werff) tegen het nieuwe leren; Er is geen onderzoek dat het nut en de noodzaak bevestigd of aantoond. Dat is mijnsinziens wel hard nodig!

Wel stipt het rapport belangrijke punten aan: Het nieuwe leren is niet goed definieerd. De term schept verwarring. Allerlei vernieuwingen worden onder de term nieuwe leren geplaatst, waardoor m.i. een hoop kwakzalverij. De term roept ook polarisatie op, als het tegenover “oud” leren wordt geplaatst. Ik zoek zelf liever de balans tussen een beetje van beide. 

Onder de deelvraag “Welke effecten zijn inmiddels bereikt met het nieuwe leren?” worden een aantal punten behandeld waarin successen van het nieuwe leren met onderzoek zijn bevestigd.

  • Onderwijs dat gericht is op het bevorderen van leervaardigheden heeft een postief resultaat op leerprestaties. Het overdragen van de verantwoordelijk voor het leerproces moet dan wel geleidelijk gebeuren, afgestemd op het niveau en mogelijkheden van de leerlingen.
  • Betekenisvolle en autentieke contexten, vakintegratie en integratie van theorie en praktijk levert gemotiveerde en enthousiaste leerlingen op. De leerprestaties zijn even goed als bij traditioneel onderwijs.
  • Samenwerkend leren levert betere of minstens zo goede leerprestaties als traditioneel leren. Docenten hebben echter bepaalde competenties nodig om e.e.a. toe te passen.

Tenslotte geeft het rapport een aantal aanbevelingen aan schoolleiders:

  • Stel docenten in de gelegenheid zich de en kennis en vaardigheden die voor het nieuwe leren nodig zijn eigen te maken.
  • Schoolleiders moeten zich richten op de randvoorwaarden die nodig zijn om vernieuwingen vorm te geven.
  • Onderwijs in leervaardigheden moet geintegreerd worden in het hele onderwijs en niet in een bepaalde klas of afdeling.

Jammer dat zo’n rapport niet in de lerarenkamer voorbij komt. Nu moet ik het in de krant en op internet vinden. De bevindingen over de resultaten van onderdelen van het nieuwe leren zijn voor mij erg relevant.

Advertenties

3 Reacties op “Nieuw leren waarderen

  1. Pingback: karelschiepers-online- » Blog Archive » Nieuw leren waarderen

  2. Hannes Minkema

    Geregeld brengen skeptici het argument in stelling dat “niet bewezen is dat Het Nieuwe Leren (HNL) beter is” en dat we HNL daarom voorlopig in de ijskast moeten zetten. Aldus zouden we onze leerlingen behoeden voor slecht of op z’n minst riskant onderwijs.

    Dit argument van de skeptici is mijns inziens onhoudbaar. Daarbij vind ik het opmerkelijk dat de skeptici zelf, die er nogal eens prat op gaan wetenschappelijk geschoold te zijn, de onhoudbaarheid van het argument niet lijken in te zien.

    1. Dat HNL niet bewezen beter is, betekent niet dat het bewezen slechter is. Een wetenschappelijk fundament van de eerste orde. Een niet-bewezen hypothese is geenszins bewijs van het tegendeel. Als het al zo is dat voor de grotere effectiviteit van HNL bewijs ontbreekt, betekent dat dus *niet* dat de tegenhanger, laten we zeggen klassikaal, docent-centraal onderwijs *dus* beter is.

    2. Dat HNL niet bewezen beter is, betekent niet dat een docent het niet zou mogen verkiezen. Behalve dat genoemde skeptici zich verzetten tegen HNL, verzetten ze zich even zo vaak tegen externe invloed op, en zeker aansturing van, didactische keuzes van docenten. Maar je kunt niet tegelijk willen dat docenten hun eigen didactische keuzes maken en vinden dat docenten verboden moet worden te kiezen voor HNL.

    3. Dat HNL niet bewezen beter is, is een zinledig argument als je tegelijk toegeeft dat ‘het’ Nieuwe Leren niet bestaat. Breed gedragen is de opvatting dat ‘het’ Nieuwe Leren een koepelterm is, een containerbegrip, waar van alles onder valt, zelfs onverenigbare opvattingen. Van een begrip dat zo omvattend en vaag is, is geen effectiviteit ondubbelzinnig vast te stellen. Je kunt net zo goed willen weten of ‘natuurlijk eten gezond is’ of bewijs verlangen voor de stelling dat ‘het leven de moeite waard is’. Sommige nieuwe, onconventionele vormen van onderwijzen en leren zullen effectiever zijn dan hun conventionele pendanten, andere niet. Dat is een tamelijk nuchtere vaststelling die ruimte hoort te bieden aan allebei.

    4. Als we HNL verplicht in de ijskast zetten wegens gebrek aan bewijs voor de werkzaamheid, is het onmogelijk om bewijs voor de werkzaamheid te vergaren. Dat is een nogal praktisch R&D-argument. Philips produceerde grammofoonplaten, maar werkte wel aan de ontwikkeling van de CD. De PTT leefde van het bestellen van brieven, maar deed er goed aan zich als KPN Telecom tijdig te orienteren op de digitale communicatie. En zo hoort het ook. Als je ontwikkeling ten goede niet wilt stuiten, moet je ruimte voor ontwikkeling bieden. Met vallen en opstaan desnoods.

    Voor wie de wetenschappelijke vakbladen de afgelopen decennia *wel* heeft bijgehouden, is deze discussie nonsensikaal. Talloos zijn de experimentele studies waarin voordelen onderzocht en gevonden worden van leerlinggestuurd, strategiegericht, metacognitief aangezet, authentiek, decentraal, groepsgewijs, ICT-ondersteund, reflectief, vraaggestuurd onderwijs. Er zijn even zoveel – nou ja, wellicht minder – studies waarin de verhoopte voordelen uitblijven. Dat is begrijpelijk, nuttig en nodig. Dat geldt ook voor CD’s, gloeilampen en digitale communicatie.

    De ‘bottom line’ is dat de keuze voor een didactische aanpak vooral op docentniveau moet gebeuren. De wetenschappelijk opgeleide docent – waarvan er veel meer moeten komen – kan geïnformeerd kiezen en verantwoording afleggen. Zij kan en moet trachten het beste te halen uit het type onderwijs waarvoor zij pal staat. Hij kan een bijdrage leveren aan de ‘collision of experiences’ waaruit een bevrijdend nieuw inzicht kan volgen. Geen conservatisme, geen nieuwlichterij verdient het voor allen de toon te zetten. Als docenten moeten we allemaal de toon zetten; onze eigen toon. Want dat houdt ons scherp. En goed onderwijs komt van scherpe docenten.

  3. Hannes,

    Bedankt voor je uitgebreidde toevoeging.

    Zoals ik in het bericht al aangaf, vind ik het interessant om onderzoeksresultaten van onderwijsvernieuwingen bij te houden. Helaas gaat de discussie voor/tegen het nieuwe leren helemaal niet om de inhoud; Het is veelal een welles/nietes moddergevecht waarin vaak de betekenis van “het nieuwe leren” onduidelijk is en blijft. Dat is erg jammer, want dit staat verbetering (in gebruik bewust niet vernieuwing) van het onderwijs in de weg, naar mijn mening.

    Alleen al de inhoud van de cognitieve leerpschygologie en -theorien (van Ausubel tot Vygotsky) vind ik voldoende om enthousiast te zijn voor sociaal constructivisme, t.o.v. frontaal onderwijs (maar dan bedoel ik onderwijs zoals dat voor de tweede wereldoorlog gebruikelijk was). De discussie over het nieuwe leren is namelijk ook vaak polariserend; “Het huidige onderwijs is 100% frontaal, en dus slecht…”.